zelfstandigheid Zelfstandigheid Noun

English
independence
Español
independencia

Example

  • Na de studie kreeg zij **zelfstandigheid** (autonomie / eigen regie) van haar ouders. (Na de studie kreeg zij onafhankelijkheid van haar ouders.)
  • Cuba gained independence from Spain in 1898.
  • Hier is 'zelfstandigheid' veel natuurlijker dan het zware 'onafhankelijkheid'.