een / één [eːn] / [ə(n)] Determiner

English
one
Français
un / celui

Example

  • Ik heb [een] zus. (Poetisch: [Eentje] / [Enkele] / [De eerste]) — van: I have one sister.
  • I have one sister.
  • Hier is 'een' onbeklemtoond en dus zonder accent.