zal/zullen zal/zullen Verb
- English
- will
- Français
- le futur simple (ou le présent pour l'immédiat)
Example
- Het **zal** zijn loop hebben ([zal/zullen] / [zal/zullen] / [zal/zullen]) — van: It will rain tomorrow.
- It will rain tomorrow.
- Dit is een neutrale weersvoorspelling.