avond [ˈaːvɔnt] Zelfstandig Naamwoord

English
evening
日本語
夕方(ゆうがた)

Example

  • Wij *genieten* (genieten / beleven / ervaren) van een rustige avond thuis.
  • We enjoyed a quiet evening at home.
  • Benadrukt de Nederlandse waarde van 'rust' na werk.