eten [ˈeːtə(n)] Noun
- English
- food
- 日本語
- 食べ物
Example
- Pat had **eten** en drinken klaargezet voor het werkfeest. (klaargemaakt / bereid / verzorgd)
- Pat had prepared food and drink for the work party.
- 'Eten' is hier de warme, alledaagse term voor de maaltijd.