uitrusten uitrusten Verb

English
equip
日本語
装備する

Example

  • Het nieuwe kantoor **rust** het team volledig **uit** met ergonomische stoelen. (uitrusten / voorzien van / bekleden met) — Dit is de moderne standaard voor kantooruitrusting.
  • The gym is equipped with state-of-the-art machines.
  • Sterke focus op fysieke middelen.