winkelen winkelen Noun
- English
- shopping
- 日本語
- 買い物
Example
- Ik moet mijn wekelijkse **winkelen** (boodschappen doen / shoppen / de koopwaar) afmaken voordat het donker wordt.
- I need to finish my grocery shopping before the guests arrive.
- Hier is 'boodschappen doen' het meest functioneel.