afhankelijkheid [dɪˈpɛndəns] Afhankelijkheid

English
dependence
한국어
의존

Example

  • Onze relatie was gebaseerd op wederzijdse [afhankelijkheid] (steun / verbondenheid / noodzaak).
  • Our relationship was based on mutual dependence.
  • In relaties klinkt 'verbondenheid' vaak warmer dan 'afhankelijkheid'.