cursus/traject/stromen cursus/traject/stromen Zelfstandig Naamwoord
- English
- course
- Nederlands
- cursus/traject/stromen
Example
- Zij **volgt** (schrijft zich in voor / neemt deel aan / doet) een chemiecursus.
- She is enrolled in a chemistry course.
- Ze is actief bezig met haar studie.