winkelen winkelen Noun

English
shopping
Nederlands
winkelen

Example

  • Ik moet mijn wekelijkse **winkelen** (boodschappen doen / shoppen / de koopwaar) afmaken voordat het donker wordt.
  • I need to finish my grocery shopping before the guests arrive.
  • Hier is 'boodschappen doen' het meest functioneel.