interageren interageren Verb
- English
- interact
- Polski
- wchodzić w interakcję / interagować
Example
- Leraren hebben maar een beperkte tijd om met elk kind te **interageren** (omgaan met / contact hebben / wisselwerken) van: Teachers have a limited amount of time to interact with each child.
- Teachers have a limited amount of time to interact with each child.
- Hier ligt de nadruk op de kwaliteit van de aandacht.