vreemdeling Vreemdeling Noun

English
stranger
Polski
obcy / nieznajomy

Example

  • Er zat een complete vreemdeling (onbekende / nieuwkomer / buitenstaander) aan mijn bureau te werken.
  • There was a complete stranger sitting at my desk.
  • Hier is 'vreemdeling' sterk, 'onbekende' kan ook.