e-mail e-mail Noun

English
email
ไทย
อีเมล

Example

  • Ik ben een week op vakantie in november, zonder toegang *te hebben tot* (hebben / bezitten / beschikken over) de e-mail.
  • I will be on vacation for a week in November, with no access to email.
  • De constructie 'zonder toegang te hebben tot' is typisch verzorgd Nederlands.